Een dag

Een dag (2002)

Opgedragen aan:
Agnes Maria Kauffman (Agnesje) (1945-1947)
Agnes Maria Kauffman-Dickhoff (1912-2002)

een morgen, trage trein, stil station
een vlinder breekt uit zijn cocon
’t is nu nog stil, mijn lief
ochtendvroeg kil, mijn lief
volg nu je wil, mijn lief
vraag geen pardon

de dag neemt je teer bij de arm
zijn licht maakt jouw lijf droog en warm
de zon geeft je kracht
en dan onverwacht
vlieg je uit
heel de wereld lacht

de bloem die je kust, mijn lief
zegt, drink maar gerust, mijn lief
zoveel als je lust, mijn lief
want ik ben jouw bron

jouw middag komt hard, wreed en laf
de avond valt zwart, als een graf
nu ben je stil
zo ijzig en kil
haast geen verschil (mijn lief)
met hoe het eens begon

met jouw pijn in mijn hart
zo verbaasd, zo verward
groet ik jou op je reis naar de zon

Jij, maanvredig kind

Jij, maanvredig kind (1988)

Bij de geboorte van een dochter

jij, maanvredig kind
stroomversneld geboren
vuisten vastberaden
een schim boven een dekenrand

tussen deze, jouw dromen
en mijn werkelijkheid
liggen nachten van vele sentimenten
oh, jij zult ze nog wel leren kennen
die steeds innemende bedriegers
die richting-gevers aan het leven

strek je handen niet te gretig uit
naar hun lawaai en gekrakeel
hun doel is jou te sleuren
in ingeslepen karrensporen

vernieuwing ben jij:
hun grootste vijand
verandering ben jij:
hun diepste angst

zal ook jouw bloed ooit koken
in die ademloze strijd

maar weet dan (stille droom)
dat vrede goed is
dat geen wereld beter wordt
van nog meer van het zelfde

weet dan, nieuw kind
dat hun uitdaging niet de jouwe is

je zult ze nog wel leren kennen
maar weet, weet steeds opnieuw
dat hun verhaal niet het jouwe is

Woestijn

Woestijn, een dubbelsonnet (1986)

I

Waarom noemt men jou dor, o vlakte zonder geuren?
Wellicht omdat men jou niet vaak in volle glorie ziet.
Men denkt aan jou, verzengend heet, o droogte zonder kleuren,
en ziet in jou geen leven, geen vreugde, geen verdriet.

Het liefst word jij gemeden, voor jou sluit men de deuren;
men noemt jouw zand verstikkend, kennen wil men je niet.
Slechts enkelen doen moeite en betreden jouw gebied,
trotseren jouw emoties, diepe kloven, scherpe scheuren.

Want ziet: in jou geborgen is een felheid, ongedacht,
een hartstocht, diepe zang, een rijpe kleurenpracht;
maar zelden zal men jou jouw schoonheid zien onthullen
en wie jou niet wil kennen, die zal nooit die beker vullen.

Want, als de regen komt, slechts kort: een uur, een dag,
ontluikt in grootse klanken wat in jou verborgen lag.

II

Ik ben wellicht als jij, ik leef het meest van binnen;
mijn kleuren toon ik zelden, bewaak ze als een schat.
Soms wil ik méér, maar slaag maar niet datgeen te overwinnen
dat mij in mij besloten houdt: de wijn blijft in het vat.

Ik bloei maar soms, heel kort, heel stil: durf nauwelijks te beginnen;
wie mijn gebied betreden wil kan ik slechts bieden dat
wat past bij mijn omgeving: de bloemen langs mìjn pad:
ik spreek mijn eigen taal van enkel korte zinnen.

Ik weet, er zijn er velen, die bloeien een seizoen
of langer aan één stuk: hun gras lijkt altijd groen;
hun kleuren schreeuwen, eisen, alle aandacht weggezogen,
slechts geldingsdrang of waan: de liefde weggelogen

De Wijze meet van schoonheid niet de duur of de frequentie,
hij let slechts op de klaarheid en de diepere intentie.

Before me the river

Before me the river (1993)

before me the river
behind me the wind
blowing my thoughts across the water

across the water
my thoughts
leave their nest:
a bird’s
maiden flight
not knowing how
not knowing where
to forage

before them the river
behind them the wind

packed in smooth shells
born as eggs
thoughts look organized
and understandable

but now
flying out
they look rough
and uneasy
not knowing where
to go
for courage

and

landing
across the river
they seem no longer mine

catch them
they are yours

Ode

Ode (1989)

how often, how too often
do we come out
play a game
moth and flame

how seldom, how too seldom
do we come out
moths to flames

how often, how too often
do we stay within
cocooned
hiding colours

how often, how too often
do we come out
suggesting colours
but grey moths
hairy monsters
singed wings

some say
we should all fly out
circle danger-flames
intense life
exciting life
no time to breathe
carousel of little time

but I
but you
earthbound
by chosen destiny?

here
here in our confinement
we now admire
peaceful beauty
the two children
images of gods

woman
warm firmament
your love a silent blanket
profound peace
we live within you

you are our home

Pictures of some past

Pictures of some past (1982)

Pictures of some past
bring out the beguiled in you;
playful, vivid conquest
recollects the wild in you.
Never wasting time:
Love has settled mild in you

(smiles in you)

Blue light in your mornings,
radiant red afternoons:
no artificial suns
could have killed the child in you.