Woestijn, een dubbelsonnet (1986)

I

Waarom noemt men jou dor, o vlakte zonder geuren?
Wellicht omdat men jou niet vaak in volle glorie ziet.
Men denkt aan jou, verzengend heet, o droogte zonder kleuren,
en ziet in jou geen leven, geen vreugde, geen verdriet.

Het liefst word jij gemeden, voor jou sluit men de deuren;
men noemt jouw zand verstikkend, kennen wil men je niet.
Slechts enkelen doen moeite en betreden jouw gebied,
trotseren jouw emoties, diepe kloven, scherpe scheuren.

Want ziet: in jou geborgen is een felheid, ongedacht,
een hartstocht, diepe zang, een rijpe kleurenpracht;
maar zelden zal men jou jouw schoonheid zien onthullen
en wie jou niet wil kennen, die zal nooit die beker vullen.

Want, als de regen komt, slechts kort: een uur, een dag,
ontluikt in grootse klanken wat in jou verborgen lag.

II

Ik ben wellicht als jij, ik leef het meest van binnen;
mijn kleuren toon ik zelden, bewaak ze als een schat.
Soms wil ik méér, maar slaag maar niet datgeen te overwinnen
dat mij in mij besloten houdt: de wijn blijft in het vat.

Ik bloei maar soms, heel kort, heel stil: durf nauwelijks te beginnen;
wie mijn gebied betreden wil kan ik slechts bieden dat
wat past bij mijn omgeving: de bloemen langs mìjn pad:
ik spreek mijn eigen taal van enkel korte zinnen.

Ik weet, er zijn er velen, die bloeien een seizoen
of langer aan één stuk: hun gras lijkt altijd groen;
hun kleuren schreeuwen, eisen, alle aandacht weggezogen,
slechts geldingsdrang of waan: de liefde weggelogen

De Wijze meet van schoonheid niet de duur of de frequentie,
hij let slechts op de klaarheid en de diepere intentie.

Leave a comment